Bataafse molen
U kunt foto’s kijken op http://www.kiekze.nl/hier . Hier een reportage in foto’s van het terugplaatsen van de romp van de Battafse molen.

Verdwenen boerderijen
Er zijn in de loop der jaren in diverse buurtschappen verscheidene boerderijen verdwenen. Dan denkt u waarschijnlijk in de eerste plaats aan de boerderijen in de voormalige buurtschap Dorpbuurt, die het veld hebben moeten ruimen voor de expansiedrift van het dorp. Sommige namen daarvan vinden we terug in buurten of straten, zoals Bargerbos, de Pelkwijk en Kloetsenseweg. Echter niet alleen door dergelijke oorzaken verdwenen er boerderijen. Soms werden ze weer op dezelfde plek herbouwd, of een eindje verderop. Meestal werd de nieuwe boerderij eerst gebouwd, voordat de oude werd afgebroken. Na een ramp, zoals door brand, werden ze soms ook op de oude fundamenten weer opgebouwd. Veel boerderijen met historische namen zijn uiteraard vaak diverse keren herbouwd of gerestaureerd. Mensen pasten zich aan aan de levensomstandigheden en die zijn de laatste honderd jaar drastisch veranderd. Dat uit zich ook in de bouw van de boerderijen. De namen bleven chter gekoppeld aan de nieuwe boerderijen. Er zijn echter ook voorbeelden van boerderijen die vroeger bestaan hebben, afgebroken zijn en nooit weer opgebouwd. In elke buurtschap kunnen we wel voorbeelden noemen. Ik ga hier nu nog geen complete lijst publiceren, maar wel enkele voorbeelden noemen. In Kotten hadden we vroeger het Meestershuis tegenover De Stegge en ook was er sprake van het Thijshuis. Waar stond het Mottenhuis in ratum, of het Rozenhuis aldaar. Wie kent nog de naam Blanken en Schuttenkamp in Miste. Er was een Maas en een Stegge in Corle. Langs de Badweg stond de Borgerweide, ook wel Joosthuis genoemd. Het viel destijds onder het Woold. Waar zijn de boerderijen met de vogelnamen in Meddo. Waar stond de boerderij Leurdijk, die lange tijd het beginnummer van Meddo had?
Hebt u wel eens gehoord van Wieskamptimpen? Zo kunnen we doorgaan.
Ik wil in de toekomst me ook eens gaan richten op de boerderijen die er niet meer zijn en daarvan tevens de vroegere bewoners gaan vermelden. In welk tempo weet ik nog niet, dat merkt u zelf wel. Geef eventueel een tip welke boerderijen er volgens u vroeger hebben gestaan en nu niet meer. Alvast bedankt.
Steengoed
We hebben in Winterswijk in de buurtschap Ratum een steengroeve. Misschien is het beter te zeggen kalksteengroeve. U kunt onder deskundige leiding op afspraak een excursie maken onder leiding van een deskundige amateur-geoloog.
Na afloop kunt u eventueel een kopje koffie drinken in de buurt aan de Wesselerweg bij een boerderij onde de toepasselijke naam Steengoed. Dat slaat zeker ook op de aankleding. Kortom werkelijk de moeite waard. U kunt enkele foto’s bekijken op mijn andere site: www.kiekze.nl/hier
Den gaorden
Bij elke boerderij was vroeger wel een stuk land, dat men “den gaorden” noemde. Het woord is verwant aan het Nederlandse “gaarde”, wat men ook terugvindt in boomgaard. In “den gaorden” werd de groente voor eigen gebruik gekweekt. In het voorjaar moest alles voorbereid worden. Er werd mest opgebracht en de grond werd omgespit, “ummemaken” noemde men dat. Tenslotte werden er “beddekes”gevormd, waarop de groente uitgezaaid werd of de aardappels voor consumptie werden gepoot. Alles moest er verzorgd uitzien en daarom moest de sla, de worteltjes of de spinazie netjes in rechte lijnen op het land komen. Tenslotte werd er bij bezoek vaak “langs het land” gelopen om te kijken hoe de boel ervoor stond. Dan werden uit voorzorg de paadjes tussen de “beddekes” netjes aangeharkt en zorgde men dat er geen “roet”(onkruid) in stond.
De meeste boeren hadden ook wel een boomgaard, hoewel de diverse bomen verspreid om het huis heen konden staan en men niet zozeer van een aparte boomgaard kon spreken. Appelbomen waren uiteraard altijd wel vertegenwoordigd en daarvan kende men diverse soorten. Zo had je de vroege, gele Sint Jaopiksappels, genoemd naar de heilige St. Jacob wiens naamdag op 25 juli viel. Gewaardeerd werden ook de “goldrenetten”, die goed bewoord konden worden tussen het hooi en daarna pas lekker begonnen te smaken. Ook werd er vaak appelmoes van gemaakt. Daartoe dienden ook wel de zogenaamde “pannekooksappels”, grote zure appels, die, wat de naam rreds doet vermoeden, ook in de pannekoek werden verwerkt. Dan waren er nog diverse soorten handappels, zoals de sterappels, de rode “wienappels”, de notarisappels en zelfs “zeute” appels. Bij ons thuis hadden we ook een boom waarvan de appels “tunnekesappels” werden genoemd. Het klokhuis noemde men “ne kroze”.
Wat de peren betreft kenden de meesten wel de “bargemotteperen”, die qua vorm meer op appels dan op peren leken. Lekker en groot waren de “sokkerperen”, die echter vaak beurs vielen en dan een doelwit werden van zwermen wespen. Ook groot waren de “stoofperen” of “winterperen”. Om ze zo op te eten waren ze niet zo geschikt, maar wel om de b.v. gestoofd te bewaren in weckflessen. Er waren ook de zogenaamde “köttelpeerkes”, die hun naam ontleenden aan het veelvuldig van boom vallen (kötteln).
Kersenbomen had men ook vaak, hoewel dat natuurlijk vaak een hoop spreeuwen aantrok, die men op diverse manieren trachtte te verjagen. Ik herinner me nog goed de blaadjes van een soort dik zilverpapier, die met elke windvlaag een blikkerig geluid produceerden. De spreeuwen lieten zich echter niet meer afschrikken en deden zich te goed aan de “spekkarsen” of de “meikarsen”.
Pruimenbomen waren er ook en men gebruikte diverse namen voor de verschillende soorten pruimen. Je zou ze kunnen indellen in gele en blauwe pruimen. Woorden voor pruimensoorten die me zo te binnen schieten, zijn o.a. “belsken” en “spallen”
Daarnaast kenden we ook nog de kwetsen, die vaak in het weckglas verdwenen en later zondags over de custardvla gingen.
Pruimen hebben in de volksmond kennelijk niet zo’n goede naam, anders sprak men niet van een “proemenpot” om een wanordelijke boel aan te duiden.
Na verloop van tijd verdwenen de fruitbomen, omdat ze oud werden en afbraken op omwoeien. Ze werden dan geruimd en vaak niet meer vervangen.
Avondrood
‘t Is midden augustus en we beleven een paar hele warme dagen met temperaturen rond de dertig graden. ’s Morgens is het nog aangenaam en de tijd om wat te doen. Ik ben op een leeftijd, dat ik dat zelf kan bepalen. ’s Middags kun je maar het best binnen blijven en ’s avonds tegen de schemer is het heerlijk toeven buiten. De ondergaande zon doet de lucht rood kleuren en flarden wolken maken daar tezamen een prachtig schouwspel van. Avondrood brengt water in de sloot, luidt een gezegde. Daar zou het best eens van kunnen komen morgen, als er zich onweersbuien gaan ontwikkelen. Dat zien we dan morgen wel weer, nu kunnen we nog genieten van hetgeen de natuur ons op dit moment biedt.

Menmarathon
Vroeger had bijna iedere boer wel een paard. Deze was bedoeld als trekkracht. De kar, de wagen of de ploeg moest worden voortbewogen en daarvoor had je het paard. Goede stevige “knollen” die hun werk prima aankonden en ook de haver kregen die ze verdienden. Het aantal paarden liep drastisch terug toen de trekker z’n intrede deed. Doch ziedaar, er kwam een nieuwe bloeiperiode voor het paard. Nu niet meer als lastdier, maar meer als lustdier. Het type paard van nu is dan ook slanker. De kar die ze nu moeten trekken is licht en bedoeld om er wedstrijden mee te rijden. De paardenmensen organiseren om de zoveel tijd op diverse plaatsen zogenaamde menmarathons. Zo was er op 16 augustus j.l. een wedstrijd in Meddo aan de Haak en Hoekweg en daarvan zijn onderstaande foto’s. Natuurlijk was er actie, maar om een foto te maken is een periode van rust wat handiger.



Koeien
Als we tegenwoordig rondfietsen door de dreven van Winterswijk, dan valt op dat het type koe dat er nu te zien is in de loop der jaren veranderd is. In mijn jeugdjaren zag je eigenlijk maar twee typen koeien: het zwartbonte type en het roodbonte. Nederland was trots op “zijn” stamboekvee en in het buitenland werd bijvoorbeeld het Friese zwartbonte stamboekvee geroemd om de afgifte van de melk. Als je op vakantie was in Oostenrijk of waar dan ook, zag je plotseling dat er nog meer typen koeien bestonden. Op school leerden we, dat er in Nederland ook nog de blaarkop was, maar die zag je in onze streken zelden. Hiernaast een foto in Ratum gemaakt. Waar zijn de vlekken, die vroeger nauwkeurig nagetekend werden als de koe in het stamboek moest worden opgenomen?
Gelukkig zijn er ook nog “Hollandse” koeien, zowel gemengd, als ook apart, zoals op onderstaande foto’s is te zien, gemaakt in Miste, Huppel en Meddo. De kenners zien natuurlijk meteen waar ik de koeien heb “betrapt”.



Oude kaarten
Ik vind het altijd weer interessant oude kaarten te bekijken. Je kunt daardoor op een goede manier een indruk krijgen hoe het landschap in de loop der tijd is veranderd.
Al in het begin van de 19e eeuw heeft men het gebied vrij nauwkeurig in kaart gebracht. Je zou kunnen zeggen, dat het kadaster zijn intrede deed. Duidelijk is te zien dat er in de gemeente Winterswijk nog veel onontgonnen gebieden waren, die vaak aangeduid werden met de benaming “veld”. Dan hebben we het over gebieden met veel heide. Ook kennen we de benaming “goor” en dat duidt op moerassige gebieden. Bijne elke buurtschap had wel zo’n “veld” en daarnaast kennen we b.v. ook nog het Molenveld, het Vosseveld, het Masterveld, etc.
Deze velden waren meestal in gebruik als markegronden, d.w.z. iedereen had het recht er onder bepaalde voorwaarden gebruik van te maken. Men mocht er o.a. plaggen steken, houtkappen en varkens in laten scharrelen. Uiteraard zag men er wel op toe, dat geen wildvreemden in “hun gebied” kwamen. Daar werden dan soms mensen voor aangesteld, die ze wel de landweer noemden. Namen als Lanvert en Lanverman zijn daar verbasteringen van.
De schrale gronden werden maar mondjesmaat in cultuur gebracht en sommigen kwamen door diverse oorzaken onder hun bestaansminimum. Ze raapten hun karige bezittingen bij elkaar en vertrokken op een gegeven moment in grote getale naar het beloofde land, Noord-Amerika. Boerderijtjes kwamen leeg te staan en raakten in verval. Pas door de uitvinding en de toepassing van de kunstmest kregen we een wending ten goede. Voordien onvruchtbare gebieden, die men om de zoveel jaar braak liet liggen om ze niet uit te putten, konden hierdoor plotseling voor grote opbrengsten zorgen. De bevolking groeide en daarmee de behoefte aan cultuurgrond. De markegronden werden verdeeld en zodoende ook versnipperd. Pas later, door de toepassing van de ruilverkaveling, werden de gebieden weer wat economischer ingedeeld. Dit alles is te volgen als men de diverse kaarten juist weet te intepreteren.
Reclame van de Citroën?

Namen (3)
Toen de mensen een achternaam moesten aannemen, waren er diverse mogelijkheden om daaraan te voldoen. Meestal kozen ze voor de hand liggende namen, b.v. die met hun beroep te maken hadden. Hoe ze aan Bakker, Schilder, Visser of Schoenmaker komen, hoeven we dan ook niet te raden. Soms wordt het moeilijker als een beroep niet meer bestaat of in de streek niet erg gebruikelijk is. Radmakers zijn er niet meer, maar achternamen die daar op duiden nog wel, zoals Rademaker. Een kuiper maakte vroeger tonnen van hout en diverse achternamen duiden daar nog op. We kennen allemaal wel de heer Beenhakker, maar zullen over het algemeen niet aan een slager denken. Nog moeilijker wordt het bij de naam Weiman. We kennen misschien wel de weitas, waar de jager zijn buit in opbergt. Vroeger werd een jager ook wel een weiman genoemd en zodoende hoort die naam dus in het zelfde rijtje thuis als De Jager.
Iemand die schapen hoedt, wordt meestal een herder genoemd, maar men sprak ook wel van een scheper. Met de toevoeging -s zouden we dus mogen veronderstellen, dat iemand met de naam Schepers van oorsprong een zoon is van een schaapherder.
Sommige namen duiden op werkzaamheden op het land, zoals Akkerman, Haverman of Hofman. Ook Huisman valt hier onder, want een landman (lees: boer) werd ook wel aangeduid met huisman. Hiermede komen we op het gebied, waar de uitgang -boer niet altijd een landman is. We kennen namelijk ook de melkboer en de visboer. Zo komen we vormen tegen zoals Heijboer en Nijboer, waarbij het stukje nij- niets anders betekent als nieuw. Hetzelfde vinden we in Nijweide en Nijkamp.
Vroeger met aadrijkskunde vonden we de naam Lutjebroek wel grappig. Voor zover ik weet heeft men ons toen niet verteld hoe we aan die naam komen. In Winterswijk kennen we een soortgelijke naam en wel Lutjekossink. Het voorvoegsel “lutje” betekent niets anders dan “klein”, denk ook aan het Engelse woord “little”. In verband met Lutjekossink moet ik denken aan de naam spijker in de betekenis van opslagplaats. In het dialect spreken we dan van een spieker. Een korenspieker is zodoende een opslagplaats van koren. Als je enigszins de talen beheerst, kom je ook in andere talen verwante woorden tegen. In het Duits heet opslaan dan ook “speichern”. Het komt oorspronkelijk van het Latijnse woord spicarium. Sommige mensen vonden het vroeger wel interessant of voornaam klinken dat Latijse en ze verbasterden hun naam tot een soort Latijn. Voorbeelden zijn o.a. Toxopeus, Slatius of Couperus. Voor deze keer weer genoeg. Er is nog genoeg stof voor nog een paar afleveringen.